De Functie van Steenhuizen

 

De beschrijving van een beleg zegt veel over het nut van een steenhuis en de strijdwijze van bewoners en aanvallers, maar ook over de wijze waarop een steenhuis was gebouwd.

Hier een verslag van een “oorlogscorrespondent” uit ongeveer 1500.

Hoewel de gracht rond het huis droog stond, konden de aanvallers het huis niet innemen, want het had dikke muren en een sterke ijzeren deur. Bovendien gooiden de verdedigers met zware stenen van de kantelen, zodat de knechten het aan de muren niet konden uithouden. Daarop bevestigden ze een houten afdak aan het huis. Terwijl ze daaronder stonden kapten ze een gat in een blind venster. Daarachter bleek een bedstee te zijn. Door het gat konden ze het bedstro in brand steken, waardoor er brand in het huis ontstond. Dat hadden de verdedigers niet verwacht, ze wilden liever niet verbranden en gaven zich over (“doe begeerden sij genade…….”).

De legerleiders namen na verloop van tijd “knechten” mee. Hiermee bedoelde men “werkvolk” om gaten te slaan, dammen te leggen of geulen te graven. De verklaring hiervoor is, dat de soldaten uit die tijd zich waarschijnlijk “te goed” voelden voor dit werk.

 

Bij het beleg van de Onstaborg bij Sauwerd door de Groningers in 1400 werd een andere methode toegepast. De aanvallers lieten een gracht graven vanuit Wetsingerzijlriet naar de borg, zodat zij met schepen in de borggracht konden varen en de bewoner konden verrassen en verslaan. Ook bij het beleg van het huis Farmsum, in dezelfde tijd, brachten de Groningers vele kleine schepen op wagens naar de borggracht.

Het "omsmijten" van een steenhuis was het doeltreffende middel om de tegenstander klein te krijgen. Deze methode hield in dat de grond aan één kant onder het huis werd weg gegraven, waardoor het omviel.

De steenhuizen waren waarschijnlijk toch geduchte obstakels voor aanvallers. Zo nam bijvoorbeeld de Hollandse graaf omstreeks 1400 in zijn strijd tegen de Friezen naast soldaten ook  arbeiders mee om de steenhuizen (en andere versterkingen) te slopen.

Ook de stad Groningen was bang voor een te sterke Ommelander macht en trad herhaaldelijk op tegen de Ommelander steenhuizen. In 1478 werd de borg te Wedde door de Groningers verwoest.

Voor de verdediging was vooral de dikte van de muren en de breedte van de grachten van belang. Bij vredesovereenkomsten werd daarom waarschijnlijk nog wel eens vastgelegd, dat er geen steenhuizen mochten worden gebouwd, of dat de muren ervan niet dikker mochten zijn dat bijv. twee stenen en de gracht niet breder mocht zijn dan tien meter. In het verbond tussen de stad Groningen en de Oostfriese hoofdeling Keno ten Broeke in 1415 beloofde de laatstgenoemde, dat hij in Hunsingo en Fivelingo geen sloten (mv. van slot) zou bouwen of laten bouwen. In hetzelfde verdrag stond het verbod om in die landen huizen of bolwerken te maken met muren dikker dan ongeveer een meter en met grachten die breder waren dan ongeveer elf meter.

Dat niet ieder zich daaraan hield, bewijst de nog bestaande, na 1415 gebouwde, ronde toren van Onno van Ewsum.

In dit verband moet worden opgemerkt, dat er ook steenhuizen waren in de steden, soortgelijk aan die op het platteland, soms zelfs met grachten en wallen. Zij dienden de machtige geslachten tot steunpunt. Ook de kloosters bezaten steenhuizen, zowel op het eigenlijke kloosterterrein als op de voorwerken. De kroniek van Wittewierum maakt reeds melding van een steenhuis op het voorwerk van Oldenklooster in de Marne. Koren en andere levensbehoeften waren erin opgeslagen. In 1280 werd het door een bende geplunderd, die toegang kreeg door de muren te ondermijnen. Merkwaardigerwijze heeft een tweede voorbeeld van een steenhuis van een klooster eveneens betrekking op een korenbergplaats, een zogenaamde “spiker”. Deze was gebouwd door monniken die aan de kant van de Schieringers stonden. Ook op het kloosterterrein van Heiligerlee stond een steenhuis, dat in 1661 “het hoge huis” genoemd werd. Het is dan inmiddels stadseigendom en wordt bewoond door een meier, wiens boerderij ermee verbonden was. Misschien is het hoge huis, dat in de zeventiende eeuw te Aduard vermeld wordt, ook een steenhuis geweest, dat dienst deed als korenbergplaats.

Kerktorens en kerken in de dorpen konden ook worden gebruikt om zich in veiligheid te brengen. In oude landrechten is soms de bepaling opgenomen, dat men van een kerk geen bolwerk of wijkplaats (plaats waarin men kan wijken) mag maken. Men moet daarbij wel in aanmerking nemen, dat een hoog bouwwerk als een toren, vaak met een klok erin, uiteraard een stevige constructie moest hebben. Dat daarin de omwonenden in geval van nood een toevlucht zochten, ligt voor de hand. Evenzeer, dat men bij de bouw met deze mogelijkheid al rekening hield.

 

Relatie heerd – steenhuis

Een heerd is vrijwel zeker geen voorloper van het steenhuis. Rijke heerdeigenaren konden wel een steenhuis op hun erf hebben staan. Een heerd, afgeleid van haard (= stookplaats), is een boerenhuis met het daarbij behorende land. Op de heerd lagen rechten, zoals bijvoorbeeld een redgerrecht en het collatierecht, en een heerd vormde de economische grondslag voor het steenhuis.

Het ligt voor de hand aan te nemen, dat het steenhuis verbonden was met een rijke en machtige heerd en dat het niet ver van het bedrijfsgedeelte werd gebouwd. Ook dat het oorspronkelijk los daarvan stond, omdat het daardoor beter kon worden verdedigd.

In de literatuur wordt herhaaldelijk gesproken over een "innerheem" en een "uterheem", een "binnenste hofstede" en een "buitenste hofstede". Het steenhuis stond dan vermoedelijk op het "innerheem" en het bedrijfsgedeelte op het "uterheem".

 

Wanneer en hoeveel

Wanneer zijn nu deze steenhuizen gebouwd en hoe groot was hun aantal? Deze vraag is moeilijk precies te beantwoorden.

De eerste schriftelijke gegevens treffen we aan in de kroniek van Wittewierum. Daar worden in 1223 twee steenhuizen genoemd in de buurt van Dokkum. Tussen Eems en Lauwers wordt pas in 1271 een steenhuis vermeld. Het gaat hier waarschijnlijk om een huis bij Farmsum. In 1284 wordt het nog eens genoemd en dan heet de eigenaar Robert van Farmsum. In 1282 wordt melding gemaakt van een huis bij Midwolda.

In enkele kronieken wordt vermeld, dat omstreeks 1295 een ernstige vete werd uitgevochten tussen de families Menalda uit Hellum en Snelgers uit Scharmer, elk bijgestaan door hun bondgenoten. Gesproken wordt over vijf steenhuizen die bij de gevechten betrokken zouden zijn. Eén ervan wordt zo ernstig beschadigd (de verliezer?) dat hij moet worden afgebroken. De steen is gebruikt voor de bouw van een kerk in Hellum. Ook is al eerder vermeld, dat in 1287 enige, niet nader omschreven steenhuizen zijn ingestort door een overstroming.

Het is duidelijk, dat de kroniekschrijver slechts melding maakt van steenhuizen voor zover zij in zijn verhaal te pas komen. We mogen aannemen, dat er in zijn tijd veel meer waren en in de tweede helft van de dertiende eeuw steenhuizen een gewoon verschijnsel waren in de Ommelanden. Vandaar eerst een rekensommetje.

In het Humsterland (Westerkwartier) stonden tenminste zestien steenhuizen. We leiden dit af uit het verbond, dat het Humsterland sloot met de stad Groningen. Zestien eigenaren beloven daarbij hun “castra et predia” (steenhuizen en heerden) open te stellen voor het bestuur van de stad zo vaak dat nodig is. We weten ook dat in het Humsterland in 1366 bestond uit de kerspelen Oldehove, Niehove en Saaksum drie kerspelen, gemiddeld dus vijf á zes steenhuizen per kerspel.

Uit een vergelijking met andere streken blijkt, dat bijvoorbeeld in het naburige Feerwerd in de zeventiende en achttiende eeuw twee borgen stonden. Het ligt voor de hand dat deze zijn ontstaan uit steenhuizen. Daarnaast was er een steenhuis bij Abbingeheerd. In Feerwerd stonden dus minstens drie steenhuizen.

Interessant is in dit opzicht ook het kerspel Wittewierum (Ten Post). Daar worden in de vijf-tiende eeuw vermeld een steenhuis te Oldersum, een “goed” of steenhuis ten Post, Ewke Hesselsuma steenhuis, het Oldehuis, Tuwinga en Tammingehuis. Dus in elk geval zes steenhuizen, terwijl toch het kerspel voor een gedeelte uit kloosterland bestond.

In Loppersum bestonden in de zeventiende eeuw nog vier borgen, terwijl in de vijftiende en zestiende eeuw nog drie andere steenhuizen worden vermeld.

Deze voorbeelden zijn nog wel met andere aan te vullen. Voor de meeste kerspelen beschikken we niet over gegevens, maar er is geen reden aan te nemen, dat het daar veel anders geweest is dan in Humsterland. We mogen dus veronderstellen, dat in de veertiende en vijftiende eeuw het Groningerland met steenhuizen overdekt is geweest. Het aantal kerspelen in de Ommelanden en Oldambten, die dan nog in dezelfde positie verkeren, bedroeg ongeveer 150. Stellen we het aantal steenhuizen per kerspel gemiddeld op vier á vijf, dan komen we op een aantal van 6 á 700. Dit is een opzienbarend hoog getal en de vraag rijst of wij aan een steenhuis wel veel betekenis mogen hechten. Zijn hieronder ook niet begrepen de stenen huizen, d.w.z. de stenen voorhuizen van de boerderijen. Het is immers niet bekend, wanneer de houten of lemen boerenwoningen vervangen zijn door stenen gebouwen.

Het is dus niet duidelijk wat men precies onder een steenhuis verstond, hun aantal is daardoor onzeker.

De steenhuizen ondergingen in de loop de jaren grote veranderingen. Niet alleen meer de veiligheid speelde een rol, ook het aanzien ging meespelen. De huizen werden fraaier, groter en waardevoller, zodat het de moeite waard was om de steenhuizen zelf ook te beschermen tegen beschadiging.

 

Er werd een gracht om het huis gegraven, over de gracht werd een ophaalbrug gelegd en de muren werden zo mogelijk nog dikker. Ook werden voorzieningen getroffen om gedurende langere tijd in het huis te kunnen verblijven, als soldaten of plunderaars het gebouw belegerden. De regenbak werd onder dak gebracht, in het gebouw werden kachels geplaatst, de opslagplaats voor voedsel en brandstof werd binnen de muren van het gebouw ondergebracht. Ook andere bezittingen, zoals schilderijen en kostbaarheden kregen een plaatsje in het steenhuis. En om toch van al dat moois te kunnen genieten, ging de eigenaar en zijn gezin in het steenhuis wonen. Naarmate de rijkdom en het aanzien van de bezitters steeg, werden de steenhuizen fraaier, groter en machtiger. De hoeveelheid bezittingen die moesten worden beschermd, werden groter.

Sommige bezitters van steenhuizen werden zo rijk, aanzienlijk en machtig, en hun huizen zo sterk, dat ze leken op een burcht of kasteel. In de provincie Groningen noemde men zo’n huis een borg.

Een groot deel van de steenhuizen is in het verleden vernield tijdens ruzies en bij gevechten tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Een deel stortte in na overstromingen en een deel werd ver-waarloosd en afgebroken omdat steenhuizen na de Tachtigjarige Oorlog geen functie meer hadden.